Overgewicht en (pan)hypopituïtarisme (voordracht)

Printen

Dr. M. Twickler is als internist-endocrinoloog verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Antwerpen. Tijdens het Symposium 2010 hield hij de volgende lezing.

Elk pondje gaat door het mondje? De belangrijkste boodschap van Dr. Twickler is dat dit niet altijd geldt voor mensen met een hypofyseaandoening. Zij kunnen, ondanks dat zij niet te veel eten en drinken en voldoende bewegen, toch aankomen in gewicht. Buiten de genen en de leefstijl kan de oorzaak een gebrek aan groeihormoon of het gebruik van teveel hydrocortison zijn.

De Body Mass Index (BMI)

De Body Mass Index geeft de verhouding weer tussen het gewicht en de lengte van het lichaam. Deze verhouding zegt iets over het risico dat het gewicht oplevert voor de gezondheid.  Op internet staan verschillende BMI-meters, die rekenen het automatisch voor je uit.

Bij een BMI van 25-30 spreekt men van overgewicht, bij een BMI van 30-35 heeft men obesitas. Obesitas (zwaarlijvigheid) heeft vele gevolgen voor gezondheid.

Vetzucht (dik worden)

De voeding van de moeder tijdens de zwangerschap bepaalt in belangrijke mate het uiteindelijke gewicht van haar kind als volwassene. In de baarmoeder wordt de stofwisseling van het kind in feite reeds voorgeprogrammeerd. De genen zijn een belangrijke factor voor het uiteindelijke gewicht, maar natuurlijk zijn ook voeding en leefstijl mede bepalend.

Vaak begint vetzucht al tijdens de opvoeding van het kind. Vooral de westerse leefstijl, met steeds groter wordende porties voedsel en het gebruik van veel koolhydraten, zout, suikerhoudende frisdranken en weinig beweging, leidt tot overgewicht.

Vetopslag: appels en peren

Er zijn twee ‘vormen’ voor de manier waarop het vet bij de mens wordt opgeslagen. De appels, dat zijn de mensen waarbij het vet meer in de maag- en de buikholte zit. Bij de peren komt het vet meer op de heupen en de billen terecht.

Buikvet

Het probleem bij buikvet is dat het vet als een zelfstandig endocrien orgaan gaat functioneren, met andere woorden: het vet scheidt allerhande hormonen af (zoals vrije vetzuren, leptine en adiponectine) Dit werkt door in de stofwisseling, in de spieren en de bloedvaten en bij hart- en vaatziekten. In feite wordt het lichaam en haar organen door de overmaat aan vetzuren in het bloed vervuild. Het vet heeft ook invloed op het brein, de lever en de alvleesklier (pancreas). Buikvet vormt een extra risico (buiten eventuele erfelijke aanleg) op het krijgen van diabetes mellitus en hart- en vaatziekten. Vrouwen met diabetes hebben een groter risico op hart en vaatziekten dan mannen en dit vraagt meer aandacht in toekomstige publiekscampagnes.

Buikomvang

Te veel vet is een risicofactor voor hart- en vaatziekten. Aan de omvang van de buik kan men zien of er teveel vet zit. De buikomvang (waist-hip ratio) dient te worden gemeten midden tussen de onderste rib en de bovenkant van het heupbeen. Bij een middelomtrek van meer dan 88 centimeter voor vrouwen en meer dan 102 centimeter voor mannen is sprake van een toegenomen risico.

Advies:
Let op buikvet en op de buikomtrek om vroegtijdig hart en vaatziekten te voorkomen, ook in patiënten met hypopituitarisme of andere hypofyse afwijkingen (als acromegalie en Cushing)!

Hypofysepatiënten

Als mensen met een hypofyseaandoening dik worden is het niet altijd hun eigen schuld. Maar ook hypofysepatiënten eten en drinken soms teveel! Daarbij komt: bij hypofysepatiënten wordt vet sneller en gemakkelijker opgeslagen.

Advies:
Ontwikkel een gezonde levensstijl!

De hypothalamus

De hypothalamus is  een belangrijk orgaan in de hersenen dat de aansturing van de hypofyse en daarnaast nog vele andere belangrijk processen in het lichaam regelt.  Allerlei stofwisselingsprocessen, zoals onder andere de suikerstofwisseling en de vetstofwisseling, maar ook processen als het hongergevoel en het verzadigingsgevoel.

Bij hypofysepatiënten komt het voor dat het verzadigingscentrum niet goed functioneert. Men ervaart geen vol gevoel, er is geen natuurlijke rem die zegt: ik ben verzadigd, dus ik stop op tijd met eten. Zodoende gaan mensen meer eten en drinken. Gemiddeld is 1700 tot 2200 kcal per dag voldoende. Let daarnaast ook op de kwaliteit van het voedsel. Goedkoop voedsel bevat vaak veel koolhydraten, waaronder suiker en vet. En daar word je dik van. Drink vooral geen suikerhoudende frisdranken, daar zit heel veel suiker in. Kijk naar de produktinformatie op het voedingsmiddel om grip te houden op de hoeveelheid geconsumeerde kCal per dag. Bouw “balansdagen”in. Zie voor meer informatie het Voedingscentrum.

Advies:
Let op de hoeveelheid en de kwaliteit van eten en drinken. Kijk eens op de zijkant van dat pak koekjes: hoeveel calorieën bevatten ze? En zoek eens een caloriemeter op internet. Hoeveel calorieën bevat een glas frisdrank?

Hydrocortisonsubsitutietherapie

In het verleden was het gebruikelijk dat de medicatie werd afgestemd op het ‘zich goed voelen’ van de individuele patiënt. Deze werkwijze wordt niet meer gehanteerd sinds ontdekt is dat men met minder cortison ook toekan en dat bij een te hoge dosering meer kans bestaat op het krijgen van trombose en aderverkalking. Om dit te voorkomen gaan artsen tegenwoordig uit van een lagere dosering. Dat is vaak moeilijk voor de patiënt, omdat sommigen zich bij een hogere dosering beter voelen.

Tegenwoordig wordt uitgegaan van een gemiddelde dagdosering, afhankelijk van het lichaamsgewicht, tussen 15 en 20 mg.  De grens is maximaal 20 mg. Meer dan dat heeft een negatieve invloed op de B.M.I, de buikomtrek en het cholesterol gehalte. Het is niet erg om vanwege een heel bijzondere gelegenheid een keer de maximale dagdosis te overschrijden, maar dat mag toch niet te vaak gebeuren. Het is het beste om zich te houden aan de maximale dosering. Een te hoge dagdosering kan tot complicaties leiden zoals trombose, longembolie en teveel cholesterol in het bloed.

25 mg per dag is iets te veel!
Doordat bij sommige mensen de cortisondosering lang geleden is vastgesteld gebruiken zij 25 mg per dag. Maar volgens de huidige inzichten is dat iets te veel. Bespreek het met uw arts!

Tekort aan groeihormoon

Het groeihormoon is een onmisbaar hormoon, niet alleen voor kinderen in de groeifase maar ook voor volwassenen. Bij hypofyseproblemen valt afgifte van het groeihormoon vaak als eerste uit. Dit zorgt voor vermoeidheid, minder kwaliteit van skeletspieren en een grotere opslag van vet in de buik. Veel van dit vet wordt in de lever opgeslagen zodat deze gaat opzwellen (foie gras). De vorming van teveel buikvet in patiënten met hypopituitarisme kan gekoppeld worden aan ontbreken van groeihormoon: groeihormoon is nodig om het buikvet te verbranden. Ook T3/T4 index (schildklierhormoon) moet optimaal zijn.

Het gebrek aan groeihormoon  en zwaarlijvigheid kan uiteindelijk leiden tot :

  • een vermindering van de kwaliteit van leven en een verhoogde kans op vroegtijdig overlijden
  • zwaarlijvigheid en depressiviteit
  • geen zin in lichamelijke inspanning
  • gewrichtsproblemen, urine-incontinentie, hoge bloeddruk
  • slaapapneu, snurken, problemen met de tong
  • opgezette benen, astma, migraine, problemen met zwangerschap

Advies:

  • laat je groeihormoonniveau controleren met een insuline tolerantie test of een GHRH arginine test; bij tekort, eventueel groeihormoonsubstitutie. Iedere hypofysepatiënt dient een groeihormoontest te laten doen, onafhankelijk van de BMI.
  • sporten kan een positief effect hebben op het lichaam, meer vertrouwen in het lichaam, verbetering kwaliteit van leven, verbetering van het hersenvermogen en optimaal gebruik van gesubstitueerde hormonen. Tevens minder kans op ontwikkelen van zwaarlijvigheid en diabetes type II. Sport dan in het schema: driemaal per week, ¾ uur per keer en 70% VO2 max inspanning. De VO2max is direct gerelateerd aan de maximale capaciteit van het hart om bloed aan de spieren te leveren. Dit is een veilig schema en verbetert de cardiorespiratoire fitness. Neem dit mee naar een sportomgeving met fysiotherapeuten.

Aderverkalking

Bij aderverkalking wordt cholesterol in grote plakken in de aderen opgeslagen. Om een beeld van de mate van kalkopslag te krijgen wordt een halsslagadermeting gedaan. Deze halsslagadermeting (ofwel IMT) geeft eveneens een heel goed beeld van de vetopslag rond de kransslagaders van het hart. Groeihormoontherapie helpt om de opslag van cholesterol in de aders te verminderen.

Hypofysepatiënten hebben een grotere kans op aderverkalking en trombose. Dit heeft te maken met de medicatie die ze moeten gebruiken. Het risico op aderverkalking kan omlaag worden gebracht door ook zelf te werken aan een gezonde leefstijl.

Advies:

  • strakke regeling van de hormoonsubstitutie;
  • zoeken naar de  bekende risicofactoren voor hart- en vaatziekten (prik cholesterol en glucose in bloed, bloeddrukmeting, roken afraden)

Een goede leefstijl voor hypofysepatiënten:

  • zorgvuldig omgaan met de voorgeschreven medicijnen, richtlijnen en controles;
  • stoppen met roken;
  • zorgen voor voldoende slaap (gemiddeld 7 uur per nacht);
  • voldoende lichamelijke inspanning (sporten onder supervisie, 3 x 45 min. per week op 70% van het vermogen), als de benen niet gebruikt kunnen worden, gebruik dan de armen.
    N.B. Wandelen is niet genoeg!
  • werk aan het verkrijgen van een goed gewicht, vraag voedingsadvies bij een diëtist, beperk suikerhoudende frisdranken, zoek naar informatie over de hoeveelheden suiker in het voedsel. Let op je gewicht, maar ga er niet neurotisch mee om.1 x per maand wegen is voldoende.
  • overweeg eventueel chirurgie (vermindering van overgewicht door chirurgische ingrepen als maagverkleining, bypass darm enz.)

Veel beweging en sporten  is van groot belang voor de verwerking van hormonen door het lichaam. De stoffen moeten worden opgenomen in de weefsels, beweging zorgt daarvoor. Als je niet voldoende  beweegt worden je hormoonsupplementen niet optimaal opgenomen en heb je er dus weinig profijt van.

Dr. M. Twickler


© Nederlandse Hypofyse Stichting - Alle rechten voorbehouden

ANBI Keurmerk